De Tweede Kamer heeft een amendement aangenomen dat ondernemers een wettelijk recht geeft op een zakelijke betaalrekening. Banken mogen alleen nog weigeren op gronden die voortvloeien uit de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Voor adviseurs is de relevante vraag niet of dit een verbetering is, maar wat er in de praktijk van cliënten daadwerkelijk verandert.
Het amendement in het kort
De kern is een omkering van het uitgangspunt. Waar een aanvraag eerder kon stranden op intern acceptatiebeleid, geldt nu een "ja, tenzij"-benadering: de ondernemer wordt geacht te worden geaccepteerd, tenzij er een concrete wettelijke grond is om te weigeren. Wat het amendement niet regelt, is doorlooptijd, tarief of serviceniveau. Voor een cliënt die zijn onderneming al draait, blijft de praktische vraag daarom of hij ergens zelf een zakelijke rekening openen kan zonder weken te verliezen.
Waar de adviesvraag verschuift
In de adviespraktijk verandert het gesprek daardoor van inhoud. Niet langer "krijgt mijn cliënt een rekening", maar "welke inrichting past bij deze structuur". Een holding met werkmaatschappij stelt andere eisen dan een eenmanszaak, zeker wanneer meerdere rekeningen naast elkaar moeten draaien en een accountant moet kunnen meekijken. Daar komt bij dat cliënten steeds vaker zelf al een voorselectie hebben gemaakt voordat het gesprek plaatsvindt, op basis van wat zij online tegenkomen. Daarbij weegt de administratieve last vaak zwaarder dan het maandtarief, en draait het argument voor cliënten eerder om tijd besparen met GoDutch of een vergelijkbare aanbieder dan om de prijs van een overboeking.
De cijfers achter de-risking
Om te begrijpen waarom de wetgever ingreep, helpen twee bronnen. Uit onderzoek van De Nederlandsche Bank uit 2021 bleek dat in dat jaar ongeveer vijftienduizend potentiële zakelijke klanten werden geweigerd, waarvan slechts achttien procent op grond van de Wwft. De rest kwam voort uit intern acceptatiebeleid, risicomodellen of commerciële afwegingen. Daarnaast heeft de Nederlandse Vereniging van Banken erkend dat de kosten van cliëntenonderzoek grotendeels bij ondernemers zijn neergelegd, in sommige gevallen oplopend tot een bedrag in de orde van tweeduizend euro per jaar.
Wat dit betekent voor adviseurs en hun cliënten
Vier punten komen in vrijwel elk dossier terug.
- Structuur bepaalt de behoefte: een holding met werkmaatschappij vraagt om meerdere rekeningen en gescheiden administraties, en dat is een keuze die je vooraf maakt.
- Doorlooptijd is een bedrijfsrisico: een onderneming die niet kan factureren of betalen, lijdt schade die niet wordt gedekt door een recht op toegang.
- Documentatie loont: cliënten met een heldere structuur, geregistreerde uiteindelijk belanghebbenden en aantoonbare herkomst van middelen doorlopen elke acceptatie sneller.
- De huisbank is geen vanzelfsprekendheid meer: het aanbod van gespecialiseerde aanbieders met een Nederlands IBAN en boekhoudkoppelingen is de afgelopen jaren volwassen geworden.
Wat het recht wel en niet oplost
Het amendement adresseert de toegang tot het betalingsverkeer, niet de kwaliteit ervan. Ook blijft gelden dat overtreding van Wwft-verplichtingen, zoals het omzeilen van het verbod op contante betalingen boven de drieduizend euro, kan leiden tot beëindiging van de relatie.
Voor cliënten met een verhoogd risicoprofiel betekent dit dat het gesprek met de aanbieder niet verdwijnt, maar wel een ander vertrekpunt krijgt. Dat is winst, zonder dat het een garantie is.
Een aanbeveling voor de praktijk
Wie regelmatig cliënten begeleidt bij het opzetten van een structuur, doet er goed aan het aanvraagproces bij een of twee aanbieders zelf een keer te doorlopen.
Dat geeft een scherper beeld van wat je cliënt te wachten staat, inclusief de vragen die worden gesteld en de documenten die worden opgevraagd, dan welk vergelijkingsoverzicht dan ook.